Hoofdstuk 2

Wellicht onafhankelijk van het Nabije Oosten ontdekte het Westen het brouwersambacht. Tacitus schreef in zijn Germania (100 n.C.) over de drank van de Germanen: “een wijnachtige substantie uit gerst of tarwe afgeleid”. In de provincie Namen werden bij opgravingen van een Romeinse villea sporen blootgelegd van brouwerijen en mouterijen uit de 3de eeuw.

Drieslagstelsel Karel de Grote In de 8ste eeuw werd het drieslagstelsel door Keizer Karel De Grote ingevoerd. Het drieslagstelsel is een landbouwmethode uit de vroege Middeleeuwen, waarbij de akkergronden in drie stukken werden verdeeld, in plaats van twee, zoals daarvoor gebruikelijk was. Op een stuk grond werden het ene jaar wintergranen (tarwe of rogge) verbouwd, het jaar erna zomergranen (gerst of haver) en het derde jaar bleef het onbebouwd. De productie van brouwgranen werd daarmee serieus verhoogd. Een Gents receptenboek uit de 14de eeuw schreef gerst, haver en tarwe voor, om een goed bier te maken. Het brouwen was nog steeds een huishoudende bezigheid van de vrouw des huizes of men ging zijn bier gaan brouwen in een centraal in de stad gelegen huisbrouwerij. Vanaf de 11de eeuw kwamen er meer en meer mannelijke professionele brouwers voor. Ook monniken hielden zich toen al ledig met de brouwkunst. In Oudenaarde werd in 1357 het ambacht van de brouwers opgericht. Er was geen brouwershuis waar de vergaderingen van de corporatie doorgingen zoals in andere grote steden. Ze sponsorden wel een altaar in het zuid koor van de Sint-Walburgakerk. In deze kapel van het zuid koor was de zoldering versierd met brouwersattributen.

Gruitmengeling Bij de versnippering van het Karolingische Rijk maakten de vorsten en de heren aanspraak op het monopolie van het leveren van gruit. Zij lieten de exploitatie van het gruitrecht over aan een ambtenaar of gaven het in leen, in pacht, in pand of verkochten het aan derden. Gruit was een plantaardige mengeling die als smaakmiddel en bewaarmiddel aan bier werd toegevoegd. De mengeling verschilde van streek tot streek. Het bevatte Roosmarijn, bloemen van de wilde gagel, salie, duizendblad en laurierbessen. Gruitbier was meestal zoeterig, troebel en dik. De kleur hing af van de meer of minder geëeste mout, donker of bleker. De mout werd handmatig met water gemengd door middel van roerstokken. Dat is steeds een zware arbeid geweest. Die roerstokken staan nog steeds symbool voor de brouwers.

In het begin van de 14de eeuw bleek de vloed van de Noord-Duitse hopbieren uit Hamburg en Bremen niet meer te stuiten. Ten zuiden van de Schelde kwam het gebruik van hop veel sneller op gang.