Hoofdstuk 3

Embleem Brouwers  In de tijd van Breughel (1530-1569) was bier eerder een vloeibare pap. Omdat de meeste brouwersreglementen toelieten het bier al na enkele dagen nog gistend uit te leveren, was de kans groot dat de suikers nog niet volledig vergist waren. Daardoor smaakte het bier erg zoet, was troebel en kleverig. Het brouwerssymbool werd toen bij uitstek de stuikmand. Een dergelijke mand werd toen in de brouwkuip geduwd zodat men het wort, het afkooksel van het mout, dat erin doordrong, met enorme lepels kon overscheppen. De mand bevatte natuurlijk nog voldoende spleten en gaten om niet alle moutresten en meel tegen te houden. Bier was eten en drinken terzelfdertijd. Daarom kregen bepaalde beroepen bij hun loon ook nog een bierrantsoen. Zeelieden tot 5 liter per dag, bouwvakkers tot 2 liter per dag.

Door de slechte filtering was de klaarheid zelden bevredigend, maar men dronk bier uit stenen of metalen kroezen, daardoor had men er geen oog naar. Toch probeerden de brouwers het bier nog te klaren met gezuiverd zand, kalk, gedroogde visvellen of door een varkenspoot in de vloeistof te hangen die zwevende deeltjes aantrok of liet bezinken.

Biermerken bestonden natuurlijk nog niet, maar wel kregen de soorten een naam volgens hun densiteit of alcoholgehalte. Zo had men kleinbier, middelbier, sterk bier of goed bier.

In de 15de en de 16de eeuw begonnen de Vlaamse brouwers zich meer te organiseren en ontstonden echte brouwerijen. De gisting was nog steeds niet onder controle en kwam voort uit spontane gisting. De invoer van de nieuwe hopbieren, nu ook vanuit Nederland, verhoogde nog in deze eeuwen. De eerste helft van de 16de eeuw was er in Gent een invoer van hopbier uit Gouda voor 12% van de bierconsumptie. De brouwers langs de kust hadden te kampen met een gebrek aan geschikt bronwater omdat het grondwater door de nabijheid van de zee dikwijls te brak was. De Vlaamse brouwers hadden, meer dan hun oostelijke en noordelijke collegae, af te rekenen met de concurrentie van de wijnhandel. De wijn was in Brabant en Holland een meer exclusieve drank. Breughel Echte biersteden waren in het graafschap Vlaanderen eerder zeldzaam, al slaagde Oudenaarde er wel in te Gent wat klanten te vinden voor zijn bier. De stadsrekeningen van Oudenaarde tonen aan dat vanaf de 15de eeuw er duidelijk meer inkomsten zijn van bier dan van wijn. Daar bleven de bieren veel langer “traditioneel” en “authentiek”. In deze periode waren er niet minder dan 8 brouwerijen op de markt in Oudenaarde, namelijk De Rebbe, Steenkin, Den Baes, De Roose, De Craeye, De Maene, Het Peerdekin en De Clocke. Ook in de straten buiten het centrum waren tal van brouwerijen. In veel gevallen was de brouwer niet de eigenaar, maar huurde het gebouw om daar te brouwen.  In de 17de eeuw slonk het aantal brouwers tot er in 1664 slechts 12 leden van het ambacht in Oudenaarde overbleven.

Brabant en Hoegaarden, die een Luikse enclave was, groeiden mee met de nieuwe bieren en werden zeer belangrijke bieruitzetters naar andere streken.

Tegen het eind van de 16de eeuw doken ook bierglazen en glazen potten op, de kleinste met een inhoud van 0,6 tot 0,75 liter. Glazen bierflessen zouden pas de volgende eeuw verschijnen, eerst uit Engeland en tegen het einde van de eeuw ook voor ons eigen bier. Het bierverbruik steeg halfweg de 16de eeuw tot 262,5 liter per man per jaar. Dat zal wel grotendeels klein bier zijn geweest.