Hoofdstuk 5

Code Napoléon De 19de eeuw begon zeer slecht voor onze bieren, en de industriële revolutie in de tweede helft van de eeuw kwam bij de Vlaamse brouwers zeer langzaam op gang. De Franse revolutie kwam serieus wat roet in ons bier gooien door de wetten van Napoleon. Alle plaatselijke privileges werden afgeschaft. De brouwers hadden wel overal een bevoorrechte positie en waren nu duidelijk bedreigd. Het bier als volksdrank werd ondermijnd door de toenemende consumptie van jenever en koffie. Tegelijkertijd moest het als genotsmiddel en gezelligheidsdrank terrein prijsgeven aan de betere wijnen, likeuren en koloniale dranken. Het bier moest tegen al deze nieuwe dranken onderdoen wegens zijn minst gunstige bewaartijd. Zeelieden konden langer op zee blijven zonder dat hun jenever overtijd ging. De afnemende koopkracht zorgde er ook voor dat brandewijn en jenever goedkoper werden ervaren. Veel brouwerijen sloten in deze periode hun deuren. Zo waren het in Oudenaarde de brouwerijen Den Anker en De Valcke die het bier in 1850 voor bekeken hielden.

Ondanks dat al onze brouwers in 1830 Belg waren geworden, legden zij niet veel vernieuwingsdrang aan de dag. De overgrote meerderheid van de brouwers kleefden vast aan de voorvaderlijke ambachtelijke brouwsels in zeer bescheiden familiebedrijven, van vader op zoon, en in noodgeval op schoonzoon. Ook de gebrekkige houdbaarheid van de traditionele bieren remde een grotere productie af. Stoommachine J. Watt James Watt verbeterde reeds eind van de 18de eeuw de stoommachine tot een economisch hoog renderende machine die in Engeland snel in de brouwerijen werd toegepast. De brouwerij Henri Ronsse in Oudenaarde was de eerste die een stoommachine plaatste in 1853. De rest van de stad volgde snel. Toch werkte in België rond 1880 nog geen derde van de brouwerijen met stoomkracht. De bierpomp of tapkraan werd reeds in 1797 uitgevonden door Joseph Bramah (1748-1814), een Engelse werktuigbouwkundige en uitvinder. De Belgische brouwers stonden weigerachtig tegen alle moderne uitrusting en instrumenten. Fahrenheit en Celsius stonden al een eeuw op de markt met hun zeer betrouwbare kwikthermometers, maar de Belgische brouwers voelden nog steeds met de elleboog of het brouwsel warm genoeg was. Stuikmanden bleven hun favoriet gereedschap en het klaren gebeurde nog steeds met stokvis. 3 pond per 100 hectoliter. Het mout werd nog veel met de hand en een roerstok gemengd met water. Duitse en Engelse bieren, die de technologische evolutie wel volgden, overspoelden de Belgische markt. De jaarlijkse Belgische bierexport bereikte in de jaren 1865 met moeite 2700 hectoliter. Meer dan ooit bleef de bierproductie een plaatselijke onderneming waar zij in de 16de eeuw was blijven steken. België bierland was nog heel ver af.

Parijs Met de oprichting te Pilsen in 1842 van de brouwerij Pilsner Urquell was een onstuitbare opmars begonnen van het pilsbier.  In de tweede helft van de 19de eeuw was er een wijncrisis in Parijs, de Europese metropool van die tijd, en in de rest van West-Europa. Een gat in de drankenmarkt waar de Belgische brouwers nauwelijks van profiteerden. Buiten de import van Duitse en Engelse bieren, leverden de Parijse brouwerijen per jaar meer dan 120.000 hectoliter sterke bruine en witte bieren af.

Bierdrinkend Europa geraakte weer in de bekoring van de Duitse heldere lagegistingsbieren uit Beieren, de pils of lager. Bock en bruine Munich waren een succes op de wereldtentoonstelling te Brussel in 1880. Voor de consumptie was de bierpomp met druk uitgevonden, die het tappen uit een vat heel aantrekkelijk maakte. Café rond 1900 De Duitsers brouwden al een tijd een ondergegist bier (lage gisting). Blijkbaar waren de Belgische brouwers tevreden met het plaatselijk consumptiegedrag. De gemiddelde Belg dronk toen nog 120 liter bier per jaar. Drankhuizen waren nooit ver af. In 1871 was er 1 kroeg per 52 inwoners. Voor Nederland was de verhouding 1/87 en in Engeland 1/180. Het openbare leven speelde zich bij ons af in het café. Een uitloper daarvan is nog steeds de openbare verkoop van een huis, dit wordt nog veel gedaan door de notaris in het plaatselijke café.

Het kon niet uitblijven. Onze streekbrouwers begonnen vanaf 1890 uit hun klompen te schieten. Hun Nederlandse collegae deden dit al 40 jaar eerder. Maar… beter laat dan nooit!

Pasteur : Etude sur la bière De nieuwe ontdekkingen in de scheikunde, fysica en industriële technologie begonnen, al was het met enige vertraging, invloed te hebben op het gezond commercieel denken van onze brouwers.

De Schot James Watt (1736-1819) verkocht al wat meer stoommachines, zodat roerwerken konden worden aangedreven. In 1779 ontdekte Antoine Laurent Lavoisier (1743-1794) dat bij de gisting van bier er CO2 vrij kwam, helaas is hij in de Franse revolutie door de guillotine omgekomen. En het was Louis Joseph Gay-Lussac (1778-1850) die in 1815 de chemische reactie kon uitleggen wat er tijdens de fermentatie gebeurde, maar brouwers waren toen nog geen scheikundigen en zij hebben gewacht tot er iemand was die het beter kon uitleggen. Louis Pasteur (1822-1895) mocht al wat meer in de bierpap brokken met zijn uitgebreide studie over de gisten en hun invloed op het gerstenat. Zijn boek “Etudes sur la bière” werd een bestseller bij de brouwers, hoewel Louis zelf het bier minder lustte. Toch kwam er stilaan ook een laboratorium in de brouwerijen.

Saccharometer John Richardson zorgde voor een verbeterde versie van de saccharometer van Thomas Thomson (1773-1852), zodat het suikergehalte van het wort kon gemeten worden om de sterkte van het bier te voorspellen. In de biervolksmond noemt dit een duiker. Ridder Carl Paul Gottfried Linde (1842-1934) plaatste her en der wel een koelinstallatie meer, zodat onze brouwers het hele jaar door hun hoofd koel konden houden. Gewapend met vernieuwende inzichten en voornamelijk nieuwe instrumenten en technologieën duiken we in de 20ste eeuw waar de Belgische brouwers zullen groot worden.

België bierland in zicht!